Terpstra maakt in de jaren vijftig van de vorige eeuw een uitstapje buiten Fryslân. Hij besluit de eerste nacht door te brengen in een hotel in de omtrek van Zwolle.
Bij de balie informeert Terpstra of er een kamer vrij is.
De hotelier vraagt: ‘Een kamer met stromend water?’
Daarop antwoordt Terpstra: ‘Hoezo, ben ik een forel dan?’